Harlingen

We waren nog maar eens in Leeuwarden. Eens te meer konden we Harlingen niet links laten liggen.

Het was dan ook nog schitterend weer die zondag. Er was nu meer volk in het stadje dan dat jaar dat we er een week verbleven.

Veel over vertellen? Neen hoor. Dit is echt een kijk- in plaats van een leeslogje.

De laatste vriend

Mensen veranderen. Dat is algemeen geweten. Maar dat iemand zo kan veranderen dat die helemaal het tegenovergestelde is van vroeger, ik had het nooit gedacht.

Vroeger had ik vrienden, veel zelfs, al leerde het, niet zo veel vroegere, verleden me dat het eigenlijk voor hun eigen profijt was. Maar in die tijd vond ik dat plezant om doen.

Nu heb ik geen vrienden meer. Ik heb het geprobeerd. Ik heb het eerlijk geprobeerd, zelfs nog na Max’ dood. Ik heb het opgegeven. Het kost te veel energie om uiteindelijk weer bij niets uit te komen. Of ze gaan betuttelen, of ze maken me belachelijk, of ze gaan weer profiteren, of ze gaan me imiteren.

Ik kan mezelf wel om de oren slaan als ik boos ben geworden om maar weer een zoveelste onrecht. Terwijl ik daar jaren geleden geen probleem mee had. Ik liet gewoon iedereen over me heen lopen. Soms ergerde me dat wel, maar hé, ik was toch die die nooit van tel was geweest en ik zou niet geweten hebben hoe ik het moest oplossen. Nu sta ik bekend als iemand die snel boos wordt.

Dat ergert me ook, want dat is niet zo, al is het ergens wel zo. Er zit meer achter. Ik ben de vriendelijkheid zelve maar je moet me geen aanleiding geven want ja, mijn persoonlijke grenzen zijn afgebakend met pinnekesdraad.

De droomreis

De evenementen zijn nu niet bepaald van die aard dat je van een echte regelmaat kan spreken. Het was hier dan ook schering en inslag dat Luc zei: “deze week weer geen lotto gespeeld”.

De e-lotto bood uitkomst. Geen vergeten lotto meer, geen gebrek aan tijd om lotto te gaan spelen. We spelen doorlopend.

Nu hebben die van de lotto er wat op gevonden om dat teniet te doen. Zo een paar keer per jaar krijgen ze het in hun hoofd om een extraatje te doen. Mooi van hen. Maar je moet wel telkens na je deelname registreren om je kans op 5.000€ voor een droomreis veilig te stellen en dat gedurende een ganse maand.

Resultaat? Een hoop gemiste droomreizen. Ik zal me moeten tevreden stellen met reisdromen, vrees ik.

Kat en ik (en de maan)

Kat en ik, we kijken naar de maan,
we zien ze aan de hemel staan,
dat is maar schijn, want manen zweven,
verwarrend, ja, zo is ’t leven.
Niets is krek zoals het lijkt
als je de zaak nader bekijkt.

Kat en ik, we kijken naar elkaar,
ze houdt me nu al zestien jaar,
dit lijkt niet lang, maar ’t poezenleven
moet je vermenigvuldigen met zeven.
Niets is krek zoals het lijkt
als je de zaak nader bekijkt.

Kat en ik, we zien de maan niet meer.
Is ze gestraft door Onze-Lieve-Heer?
Gestolen door lichtschuwe kleptomanen?
Of opgekocht door Noord-Amerikanen?
Kat en ik, we gaan er achteraan,
op zoektocht naar de ouwe maan.

[Jan De Wilde – Uit album Oude Maan: Kat en ik]

Alleen het derde couplet klopt niet. De kat was er niet bij. We waren op hotel.

Op het ogenblik dat de maan mooi, groot en rond achter de toren stond, had ik het fototoestel niet bij – Luc de filmcamera trouwens ook niet.

Toen we die snel even gehaald hadden, zagen we inderdaad de maan niet meer. Beeldschuw zat ze verdoken achter een wolkensluier. Noch Onze-Lieve-Heer, noch kleptomanen, noch Noord-Amerikanen zaten er voor iets tussen.

Daarom een foto van de dag ervoor, scheef door een ruit genomen. Ik weet het, zo zijn er misschien twaalf in een dozijn, alleen was dit mijn eerste poging om een deftige foto van dat onwillig model te nemen en ben ik wel -voorlopig- tevreden met het resultaat.

En hij kan nog véél meer

Waar hij het soms haalt, die rotstreken van hem, een mens zou er grijs haar van krijgen, als ik dat al niet had.

Wat hij nu weer uitgevreten heeft, het is niet te geloven!

In één van mijn actievere bevliegingen, gooide ik de schoenkast open. Die kast bestaat uit twee klapvakken met daar een schuif boven. Ik gooide die dus open omdat daar heel wat schoenen in staan die ik niet meer draag maar ze niet weg doe omdat er niets aan scheelt of omdat ze ooit zo goed gezeten hebben. Nu dus niet meer. Ik ging eens grondige kuis houden. Die sandalen met de afgesleten masserende zool? Er uit! De schoenen van Zonekes trouw die nu zo nijpen? Er uit! Er uit! Er uit! Er uit! …

Maar wat zag ik daar nu? Mijn linker Birkenstock slipper. Dat was niet verwonderlijk. Maar waar was de rechter? Ik ben dan wel onnozel maar niet gek. Bij het wisselen van de seizoenen ga ik echt niet één schoen van een paar in de kast opbergen.

Ik zocht. Toch maar eerst eens nagaan of ik echt niet gek was, dus even kijken op de plaats waar ik ze vorige zomer liet als ik wat anders aan mijn voeten had. Dat kan logisch niet. Er wordt wel degelijk zo af en toe eens een vod door het huis gehaald. Onder de stoof -die er nog staat- geschoven? Je kan het zo zot niet bedenken of ik ging er kijken.

Ik zeg dan wel dat ik niet gek ben, maar toch ga ik controleren. Net of ik zelf er niet zeker van ben.

Die slipper moest in die kast zitten. Dus kast open, vak opengeklapt. De achterwand van dat vak wordt op dat ogenblik bovenkant en er komt een ruimte vrij achteraan. Ik heb de kast verschoven, wat natuurlijk ook dom was omwille van dat vod zo af en toe. Maar die kast heeft een achterwand.

Aha! Er ging wat dagen. Ik opende het onderste vak. De achterwand van dat vak wordt op dat ogenblik bovenkant en er komt een ruimte vrij achteraan. Ik stak mijn hand in die ruimte, waarbij ik natuurlijk met mijn elleboog de onderste hoek van dat bovenste vak raakte dat -knal- tegen mijn voorgevel knalde.

Dat gebeurde natuurlijk niet in complete stilte waarop Luc kwam kijken wat ik doende was. Ik foeterde op kast, op slipper, op Poesjkin.

Luc stak zijn hand in die ruimte, waarbij hij natuurlijk met zijn elleboog de onderste hoek van dat bovenste vak raakte dat -knal- tegen zijn voorgevel knalde.

Ik hield de bovenkant dicht en hij haalde er triomfantelijk mijn halve slipper uit. Ik wees verbouwereerd naar de ontbrekende zool, waarop Lucs hand opnieuw de gaping indook om met de zool te voorschijn te komen.

Het moge duidelijk zijn, Poesjkin is uit zijn winterslaap ontwaakt en hij is niet goed geluimd. Wordt dit nog vervolgd?

Handdoek met bruine vlek

Ik pakte de handdoek van de stapel, douchte en schrok! Er was een bruine vlek, ø 7cm, op die handdoek. Een propere handdoek nog wel.

Wat meer was, er waren gaten in die handdoek. En door die gaten begon het te dagen. Er was ooit de handdoek met gaten die ik enkel gebruikte nadat ik mijn haar had geverfd. Die had ik altijd apart gehouden.

Hoe kwam die nu terug tussen de stapel propere handdoeken terecht? Poesjkin natuurlijk.

Maar het gaat zo niet aflopen. Want dat was nu de tweede keer dat die handdoek opdook, al worden vers gewassen handdoeken onderaan de stapel gelegd.

Deze keer gaat hij na het wassen direct de verstelmand in. Ik maak er gewone handdoeken van of gastendoekjes of schotelvodden. Nu niet dat gasten die doekjes zouden nodig hebben, wij hebben nooit gasten. Wat eigenlijk inhoudt dat die handdoek zou kunnen blijven waar hij is.

Ik weet wat het niet is, maar het ziet er wel zo wat uit. Ik ben geen gast, maar het stoort me wel.

Vertrouwen

Soms schrik ik van mezelf als ik nog maar eens ontgoocheld denk: “ik vertrouw niemand meer”. En weet dat dat ook zo is.

Als je dat goed overdenkt is dat echter niet juist. We vertrouwen misschien geen bekenden meer, maar we vertrouwen wel nog heel veel mensen, onbekenden dan nog.

We vertrouwen de beenhouwer, de bakker, de groenteboer, … maar zijn die wel te vertrouwen? Wie weet wat zij door ons vlees, in ons brood en onze groenten mengen.

We vertrouwen veelal mensen in uniform zoals politiemensen, postbodes, mensen van het openbaar vervoer, taxichauffeurs, pakjesleveranciers … De meteropnemers liggen al een schuif lager. Daar hoorden we al wel meer horrorverhalen over. Nu ja, politie-uniformen blijken ook zo verkrijgbaar en daar maakten criminelen ook al gebruik van.

En we vertrouwen dokters! Terwijl die toch te maken hebben met het meest persoonlijke goed dat je kan hebben.

If I needed you

Weet ik veel hoe ik op het liedje terecht kwam. Feit is, het ding stond ineens te spelen en ik vond het mooi. “Ik heb een schoon liedje” zei ik tegen Luc toen die eens met de CD-makerij bezig was.

Ik heb The Broken Circle Breakdown niet gezien. Over een kindje met kanker kan ik zelf meer dan genoeg vertellen en Veerle Baetens ligt niet in mijn bovenste schuif. Er is teveel poeha gemaakt, zowel door haarzelf als door haar entourage.

Maar “If I needed you” is wel mooi.

Voor zover de inleiding!

Bij de opbouw, zo een twee weken geleden, speelde de radio enkel Belgische muziek. Niets op tegen, maar op zeker ogenblik kreeg ik de hippentrip van enkele nummers na elkaar waarbij ik veronderstelde dat één of andere met zijn trommelstokken in de pries was blijven zitten. (Lees hieronder verder).

“Er zijn nog andere Belgische nummers” zei ik. “Ze moeten meer afwisselen: een beetje boenkeboenke met wat rustiger nummers”. Tja, ik krijg het van muziek die zorgt dat ik mezelf niet kan horen denken. En ik vervolgde met: zoals “The Broken Circle Breakdown” en “Leave a light on“.

“Ja maar” zei Britt “The Broken Circle Breakdown” is dat geen gecoverde?” Ze wist het niet zeker. Daar had ik zelfs nog niet bij stilgestaan.

Ik moest het dan ook aan de specialist ter zake vragen. “Luc” riep ik, maar hij keek ook onwetend.

Ik zocht het op. Britt had gelijk. En uiteindelijk weet ik niet welke versie ik het mooist vind: voornoemde of die van Emmylou Harris en Don Williams.

Wat jullie?

Figuranten genoeg

Dat er op deze bol wel mensen rondlopen die denken hoofdpersonage te zijn in een decor waarin de anderen maar figuranten zijn, blijkt uit het stijgend aantal vluchtmisdrijven. Dat ze daarin gesteund worden door laksheid van overheidswege zal er ook niet veel aan veranderen.

Maar eigenlijk zijn ze zo opgegroeid, ze zien niet anders. In films en feuilletons is het schering en inslag. De held raast door straten en stegen achter de boosdoener aan, ze schieten er op los en de omstaanders -zonder belang- vallen bij bosjes. Ze noemen dat dan ook nevenschade.

Maar geen enkele held staat stil bij deze doden al gaat de film soms wel over wraak om familie die werd gedood. Vluchtmisdrijvers jagen nog niet eens op een crimineel, het ongeval is voor hen slechts een irritante bijzaak en komt -ook voor hen- ongelegen, dus negeren ze het maar.

¡Viva Zoneke!

Toeval? Toeval!

Hier kan nooit iets van een leien dakje lopen. Altijd weer zijn er bizarre omstandigheden en toevallige toevalligheden. Nu ook weer.

We parkeren de auto en Luc zegt: “ze zijn er al”. “Ze” dat zijn in dit geval Zoneke en Querida. We hadden afgesproken in het restaurant.

We lopen naar de deur en ik bekijk de daar geparkeerde auto nog eens goed. Jawel, kleur en merk dat hadden we al gezien, maar ook de verdeler was juist. De nummerplaat kon ik niet controleren, na de autowissel ken ik die niet meer.

Binnen geven we aan dat we met vier zijn maar … De gastvrouw begrijpt het, zelfs zonder dat we de zin afmaken en toont ons een tafeltje waar twee mensen zitten. Ik zeg: “neen, dat zijn ze niet”. De vrouw zegt nogmaals dat die mensen ook nog op twee mensen wachten.

Dat kan zijn, maar die mensen zijn niet Zoneke en Querida. En dat kunnen wij toch wel weten.

We krijgen dan maar een ander tafeltje voor vier, kijken nog eens goed rond en zien, door het raam, Zoneke en Querida net uit de auto stappen. Haar auto.

Natuurlijk zal die verdeler wel meer dan één auto van dat model en méér dan één auto van die kleur verkocht hebben. Mogelijk ook méér dan één auto van dat model mét die kleur. Maar dat die dan net, in volle zicht, pal voor de deur van het restaurant waar wij afspreken geparkeerd staat, dat kan je toch wel een toeval noemen.

Zoals ook alle jaren, maar dan op 13 maart, is Zoneke jarig en dat vierden we vorige vrijdag al … op zijn Mexicaans.