Puberuitspraken

Volgens welingelichte bronnen, namelijk

  • enerzijds Bollie, vindt Amke het publiekelijk dragen van een sportzak ronduit belachelijk,
  • anderzijds Ella, vindt Amke diezelfde sportzak in het openbaar gewoon idioot.

De verkondiger van deze wijsheid zelf -in dit geval Amke- zei achteraf dat die gewoon te volgepropt zit en dat terwijl de tas toch voorzien is van menigerlei van haar toebehoren.

Ik voelde me dus niet zo cool toen ik betreffende sporttas naar de auto zeulde. Ach ja, het kan nog altijd erger. Luc droeg de knalroze rugzak én de lichtroze sjakosj.

Bezig!

Soms zitten we in de auto, Luc en ik en ineens bedenk ik iets en mail hem. Jawel, terwijl ik naast hem in de auto zit, ik zeg niets, ik mail.

Gek is dat niet. Want zie je, tegen dat we thuis zijn heb ik veelal al vergeten wat ik bedacht.

Zo een half jaar geleden hadden we enkel de CD van “Stampen en Dagen” in de auto. Dat kwam omdat Luc de oudere CD’s niet goed meer vond. “Teveel van hetzelfde genre op één schijf” zei hij dan. Hij wilde meer afwisseling in de muziek die in de auto speelde.

En daar is hij mee bezig. Dat had hij ooit vroeger, voor we elkaar kenden, ook al eens willen doen, maar ja, de tijd en de besognes des levens.

De eerste CD had hij in alle stilte gemaakt. De volgende eigenlijk ook. Daarna wist ik wel wat hij doende was.

En toen ging hij eens informeren. Waren er nog Nederlandstalige liedjes die ik goed vond, want hij had al Engelse genoeg. En kende ik nog zeemzoete plakkers? Wou ik er nog wat anders op?

Zodoende! Telkens ik dan aan een liedje dacht -meestal is dat dan in de auto bij het horen van wat hij al maakte- moet dat doorgegeven worden.

De eerste keer mailde ik van op mijn telefoon. Thuis keek hij me nogal eigenaardig aan en vroeg: “heb jij nu echt van in de auto gemaild?” De tweede keer zei hij niets, alles went waarschijnlijk.

En dan zaten we op de evenementen en tijdens de pauze gaf ik een titel op. Eens thuis wisten we toch geen van beiden nog welke. “Mail die in het vervolg eens door” zei Luc.

Eerlijk gezegd, als hij aan dit tempo doorgaat, moeten we echt wel een grotere CD-box voor in de auto voorzien.

Ik e.a.

Waarom ik zo een veertien jaar geleden besloot dat ik geen voet meer bij Ikea wou binnenzetten ben ik al lang vergeten.

Nu zou ik het wel weten, al was het voorval niet van die aard dat ik over mijn voeten begon te denken. Enkel een kleine frustratie van een opmerkzaam ik-persoon.

We waren er dus, in die Ikea van Hasselt. Er was wel wat volk maar niet te veel. Eigenlijk was het aangenaam winkelen. We zagen meerdere dingen die ons wel bevielen maar we hielden ons aan de voorziene aankoop. Die moesten we eerst betalen en dan afhalen aan een afhaalpunt.

Van het reilen en zeilen bij Ikea kennen we dus helemaal niets. Zelfs hadden we dat ooit wel gekend, dan zouden die veertien jaar er wel voor gezorgd hebben dat onze Ikea-kennis nu volledig blank was.

We betaalden en volgden de aanwijzingen van de kassierster. We bekeken de lichtkrant rechts boven de balie en zagen dat ons nummer bij verwerking stond. Daar kwam ene dame met een paar winkelkarren waarvan ze de nummers afriep.

En dan komt het! Ze bekeek ons argwanend en vroeg welk nummer wij moesten hebben. Nadat wij dat nummer gaven zei ze betuttelend -weeral als zuster-directrice- dat dat eerst uiterst rechts moet staan. En ten overvloede voegde ze er aan toe: “in de rechter kolom”.

Ik voelde het al aan mijn ellebogen. De goede samenwerking was weg. Ik vraag me af hoe wij dat uitlokken. We hadden niets gezegd, niets gedaan, enkel gestaan – mogelijk wat te dicht bij die lichtkrant, omdat we anders de nummers niet konden lezen. Denken die mensen dan: “die twee zien er sullen uit, daar kunnen we eens mee sollen?” Of “zo een arrogant uitziende trien gaan we eens een lesje leren”?

We gingen dan maar op het bankje zitten wachten en zagen twee karren uit het magazijn komen, waarvan ene, aan de pakken te zien, wel eens voor ons kon zijn.

Het mens bekeek het nummer, liep de kar voorbij en nam de andere. Ik zei het nog tegen Luc, ik zei: “let op! Die gaat ons laten wachten”. Ik heb daar ervaring mee.

Ze verdeelde de goederen en negeerde die andere kar. Daarna heeft ze een viertal zaken geregeld van mensen die dan pas aan die balie aankwamen, is ze nog eens naar de vier balies van de klantendienst gelopen en is dan alle lege winkelkarren beginnen sorteren en netjes zetten.

Een tiental minuten stond die winkelkar met die twee pakken daar. We deden alsof er geen vuiltje aan de lucht was. Enig commentaar van onzentwege zou de situatie verergeren. Dat is ook een onderdeel van voornoemde ervaring.

Uiteindelijk was het wel degelijk onze bestelling.

Zoals gezegd, ik krijg de kriebels van zulke situaties. Ze mochten me wel eens een verklaring geven waarom het fout gaat, waarom men ons zo op eerste zicht niet mag.

Maar bij Ikea? Daar staan we mogelijk volgende week al terug. Na het installeren van onze aankoop zagen we dat onze badkamer nog gemakkelijk iets meer mocht hebben.

Een kwestie van willen

Hij wou geen Frans spreken, neen. Hij sprak Nederlands. Engels? Ook niet.

Ik sprak dus Nederlands, maar toen ik merkte dat hij wel eens niet mee was met wat ik zei, ondersteunde ik mijn Nederlands met handgebaren.

Dat werkte.

Na de dagen die we omwille van ons pensioen niet aanwezig waren, wisten de collega’s me te vertellen dat alles best verlopen was, vermits zij met hem in het Engels hadden gepraat.

Hij keek schalks toen ik hem ermee confronteerde. “Zo leer ik niet” zei hij.

We hebben afgesproken dat ik alles in het Nederlands zal zeggen -hij ook- op voorwaarde dat hij wel zegt als iets niet duidelijk is. Daar kon hij mee leven.

Als blijk van vertrouwen

Ik weet wel dat ik met mijn laptop mijn telefoon kan traceren en dan bedoel ik niet binnenshuis hem even opbellen met een andere telefoon.

Ik weet ook dat veiligheidsdiensten die telefoon kunnen vinden als het zou passen in een onderzoek.

Ik weet nog meer! Ik weet ook dat er mensen zijn die de telefoon van hun partner controleren op contactpersonen, berichtjes, whatsappjes en wat dies meer.

Laatst echter was ik even verbaasd. In één of ander televisiefeuilleton had men het over een tracker, zodat je kon zien waar iemand uithing. En ik dacht: “wablief?”

Gezien het niveau van het feuilleton stond ik er verder niet bij stil, tot het laatst weer opdook in een iets geloofwaardiger versie. En toen wou ik er meer van weten.

Het bestaat dus. Ze benoemen het wel vriendelijk, ze noemen het: bezorgd voor je beminden. Maar ik zie dat niet als bezorgdheid. Dat is pure controle! Ook als het over je kinderen zou gaan. Kinderen moeten ook leren om zelfstandig in het leven te staan.

Maar neen! Dat is het niet helemaal. Het dient om je partner te controleren, te schaduwen, te kijken wat die uitspookt. En dan zouden er zelfs bestaan die gebruikt kunnen worden zonder dat de bespioneerde er weet van heeft. Ik heb die niet gezocht, het is onwettelijk en ik wil het niet weten.

Want dan denk ik: “als er niet meer vertrouwen is, maak het dan ineens maar uit met je ‘beminde’!”

De briefkes

Dat logske van gisteren was iets dat ik vorige vrijdagavond schreef.

De dip begon toen met een smsje. Nog maar eens een smsje dat aangaf dat ik er eigenlijk niet zo toe deed. En boef! De hele zwik ging zich nog maar eens afspelen. En de hele zaterdag zat ik er midden in.

Er is een gezegde dat stelt dat zulke dingen als stenen zijn op de bodem van een vijver en als je niet oppast bij het zwemmen je er tegen stoot. Ik kan er in komen.

Er zijn manieren om er mee om te gaan. Ik kan dan een boek gaan lezen. Ik deed wat anders. Ik heb de tien afleveringen van “The Five” na elkaar herbekeken. Lekker vluchten in fantasie.

Of schrijven. Dat doe ik meestal als er iets niet snor zit. Meestal halen die schrijfsels het blog niet. Het was nu ook kantje boordje, want de dip was weg voor het postje verscheen.

Hoe dat kwam? Luc had me de hele zaterdag met rust gelaten. Nu ja, slim van hem, want meestal ben ik dan niet erg aanspreekbaar buiten: “kom je eten?”

Maar op zondag! Ik stond op en vond de briefjes, overal briefjes: op de pc, op de ontbijttafel, op de wastafel, … Briefjes die me deden lachen.

En lachen? Dat is als de stop die je uit een vat vol vieze drab trekt. Zodra dat vat begint door te lopen, trekt de dip ook weg.

Zoals gezegd, meestal halen zulke schrijfsels het blog niet. Deze keer wel. Stel dat iemand zou denken dat ik compleet zorgeloos door het leven huppel.


Maar Luc maakte geen tekeningetjes.

De mislukkeling

Laat ons zeggen dat het door de tijd van het jaar komt, het is winter en het einde van het jaar nadert.

De tijd van het jaar is een beter excuus dan te denken dat ik een ouwe zaag word.

Als dochter voelde ik me een mislukkeling. Niets van wat ik deed kon mijn moeder bekoren. Alles was fout, al deed ik de ene dag zus en de andere dag zo: fout! Als kind denk je dan dat je een mislukking bent als zelfs je moeder niet van je kan houden.

Dan ga je trouwen. Daar stel je je heel wat van voor: levenslange liefde en al wat daar bij komt kijken. Als je dan na 26 jaar gaat scheiden, dan voel je je echt wel een mislukkeling. Als je je eigen dromen nog niet kan waarmaken.

Doordat mijn moeder was wie ze was, besloot ik het anders aan te pakken met mijn kinderen. Dat deed ik. Ik ging voor de positieve aanpak maar realiseerde me niet dat de eigenheid van kinderen een andere uitkomst kon geven. Weer -half- mislukt!

Toen ik eens, in een bittere bui, dat aan Ghislaine vertelde en zei dat ik toch wel erg crapuleus moest zijn, antwoordde ze me dat het niet aan mij lag, dat ik enkel maar dikke pech had.

Ghislaine is er niet meer. Ze is bijna drie jaar geleden overleden. Je kan best niet te goed bevriend met me zijn, want dan ga je dood, newaar Max?

Nu ben ik wel realist genoeg om te snappen dat dat met mijn moeder een probleem in haar hoofd was, dat je voor eeuwige liefde met twee moet zijn en dat een aardje naar je vaartje hebben ook meespeelt. Ik leerde er dus mee leven.

En dan was daar dat wat ik doodgraag deed. Je kan niet geloven hoe doodgraag ik dat deed. We waren erdoor begeesterd, we hadden er de mond van vol – tot vervelens toe, vrees ik.

En dan komt de dag dat er iets heel gemeens uit de bus komt. Mijn benen werden onder mijn gat uitgeslagen. Volledig van de kaart ging ik weer uitpluizen en uitzoeken wat fout was gegaan. En neen, ik vond geen fout bij mezelf. Ik snapte het niet. Tot het ogenblik dat me werd gezegd dat het enkel een uiting van een frustratie had betroffen, waar ik eigenlijk niets mee te maken had.

Het goede gevoel komt niet terug. Ik vrees zelfs dat dat voor eeuwig op de zeebodem ligt, verzopen en onbereikbaar.

En dat met een kop die niet kan wenen.

De zalige vergissing

Toen we hier vorig jaar de nieuwe flanellen lakens kochten, wou Luc ineens de dekbedhoezen ook vervangen.

Daar was niets mis mee, maar ze waren een beetje uit de gratie. We vonden ze gewoon niet meer mooi. En Luc had ergens in een blaadje mooie gezien en die wou hij wel gaan halen.

Hij kwam thuis en die waren helemaal niet in flanel. Die waren in fleece. “Ja lap!” hadden we gedacht.

Maar al snel veranderde dat. Toen begonnen we te denken dat het best een vergissing was die er mocht zijn. En geloof me, de volgende dekbedhoezen zullen ook in fleece zijn, maar dan niet per vergissing.

Het grote plezier

Gisteren werd de hele site van Stayen ontruimd. Er was namelijk een bommelding

En dan kan mijn klein verstand er niet bij dat er idioten zijn die zich daarmee bezighouden. Waarschijnlijk vinden ze het plezant als ze zo al die mensen buiten in de kou kunnen laten staan rillen door het plegen van één telefoontje.

En ja, ze weten dat dat niet genegeerd kan worden. Er moet ingegrepen worden, want als het maar eens waar zou zijn, dan zouden ze pas wat te horen krijgen, zij die de oproep negeerden.

Dat is al precies zo grappig als die één aprilvissen -maar dan op grote schaal- waarbij ze je zeggen dat je naar de directeur moet gaan. Negeren kan niet, het zou waar kunnen zijn.

En bescheuren dat ze zich doen.

Wat ik ook niet begrijp is dat die mensen daar zo dicht in de buurt blijven staan.

Zo samen troepen om toch maar niets te missen is op zich eigenlijk ook om ellende vragen.

Mijn klein verstand zou mij al overhalen om zeker richting Sint-Truiden te wandelen en ergens iets warms gaan drinken.

Lang verwacht

Al zou er beter gestaan hebben: “daar zijn we dan!” Waarop ik dan kon antwoorden: “eindelijk!”

Zo een acht maanden had ik hen gewild. Al moest ik dan gewoon bestellen.

En precies dat bleek niet zo simpel. Deel één en twee had ik al, maar je kan niet gewoon alle andere delen bestellen, je moet zoeken wat de andere delen zijn. Want deel één en twee zijn samen dan weer in één geheel verkrijgbaar. Enkele van de volgende delen ook. Zo krijg je een wirwar van mogelijkheden. De complete bestaat zelfs in twee versies.

Van uitstel komt altijd afstel en het werd telkens voor me uitgeschoven.

Maar nu had Luc de koe tijger bij zijn nekvel gepakt en wist ik precies wat ik moest bestellen.

Eindelijk! Zoals gezegd.

Ik ben geen stripfanaat, maar deze twee hebben me hier al zo vaak aan het lachen gebracht – en Luc ook: die lachte omdat ik zo moest lachen, stel je voor. En dat met slechts twee delen in mijn bezit.

Wat gaat dat geven met “The Complete Calvin and Hobbes”.