Zoals gezegd, namen Slow en mske gisterenmorgen de trein, die van twintig voor zeven. Daarvoor waren ze extra vroeg opgestaan, waren in hun kleren gesprongen, hadden een boterham naar binnengewerkt en waren stante pede sito presto door mist en nevel in het donker richting station gereden. Het ganse dorp, het volgende dorp en Landen city waren nog in diepe slaap verzonken.
Natuurlijk waren ze een kwartier te vroeg, zo op zijn sito prestos vertrokken zijnde, en was de trein zeven minuten te laat. Maar dat was niet zo verschrikkelijk. Slow ging dan maar proberen om onze watertoren in de mist vast te leggen. De mist staat er op, van de watertoren weten we dat hij er stond maar we zien hem niet.
De trein vertrok en mske dacht nog efkes een dutteke te doen, gezien ze de nacht ervoor al niet al te veel geslapen had. Dat lukte ook niet. Zodoende zag ze het ganse land in nevel en mist en dat nog in diepe slaap verzonken was.
In Blankenberge was ‘t klaar natuurlijk en nadat ze nog een taske koffie waren gaan drinken werd het zelfs zonnig. Ze maakten een flinke strandwandeling en liepen zelfs nog even tot in Engeland.

En al hadden ze gedacht van ‘s middags een broodje te kopen en ‘s avonds op de dijk een restaurantje aan te doen, lieten ze zich op de middag al verleiden door dat heerlijks dat op de borden werd aangekondigd.
Na de middag hebben ze de kusttram genomen en tramden even tot in Oostende, waar ze fluks op hun stappen terugkeerden. Het was er te druk en de mensen waren er te sjiek gekleed voor hun wandelschoenen en dikke frakken. Ze hebben er dan maar groot Blankenberge verkend.
De trein van tien na zes naar huis wilde mske absoluut niet nemen. Er is een trein om het uur, rechtstreeks van Blankenberge naar Landen, maar uitgerekend bij die van tien na zes zouden ze in Brugge een overstap moeten maken. En mske’s voorgevoel zei haar dat ze dat niet moesten doen. Ze deden het dus niet. Wie weet welk onheil hen anders weer zou overkomen.
Ze namen die van tien na zeven. Slow stond verbaasd over het mensenaantal dat die trein wou hebben. Maar ze zaten comfortabel en gezellig rechtover mekaar. Net voor de trein vertrok stapten er nog twee jongens op waarvan er één serieus leed aan een chronische aanval van de hik. Zo noemt mske dat als ze iemand een monoloog hoort afsteken waar in elke zin drie keer het woord “ik” voorkomt, terwijl de andere geacht wordt te luisteren. “Hoe lang zouden die zijn duracellekes meegaan?” mompelde ze tegen Slow.
In Brugge bleef de trein staan, zelfs nadat het tweede stuk aangekoppeld was. Klaar en duidelijk dat die nog wachtte op een trein die nog moest binnenlopen. En wat toen gebeurde … Slow keek met grote ogen naar de mensenzee die uit de aangekomen trein kwam en hun trein overspoelde. Een oudere man plofte naast mske neer terwijl alle vrije zitjes werden ingepalmd, ook naast hem. Vervelend die oudere man. mske heeft het niet zo begrepen op lijfelijk contact en ze weet niet of hij het express deed op niet, maar zelfs toen ze zich helemaal tegen het raampje drukte raakte ze niet los van die vent zijn knie en stuk been.
Slow vertelde dat er achteraan mensen recht stonden. Waarop mske zei dat ze dacht dat die in Gent wel allemaal zouden afstappen. Jongelui onderweg naar hun kot, waarschijnlijk. Ze had gelijk. Ook de oudere man stapte af en ze zuchtte van opluchting. Niet voor lang, want nog meer dan er waren afgestapt, stapten er terug op. “De lading voor Leuven” zei Slow nog snel voor het koppeltje naast hen plaats nam.
Het meisje was gek op hem. Klaar en duidelijk. In elk geval gekker op hem dan hij op haar. Want op haar voortdurend gekwebbel en verdoken liefdesuitingen en -aanrakingen bleef hij ijzig kalm, meer nog, hij keek niet echt laatdunkend maar het ging toch die richting uit, wat smalend, zonder het echt te zijn.
In de Zuid, het Centraal en de Noord stapten mensen af maar telkens veel meer op, zodat Leuven een echte verademing betekende, maar dan een echte. Slow liet zijn adem langzaam ontsnappen en mske zuchtte. Ze hebben hun benen gestrekt want die hadden ze al die tijd krampachtig rond de tas, die ze veiligheidshalve niet in het bagagerek hadden willen deponeren, gehouden.
Slow zei dat het een geluk was dat ze die van tien na zes niet hadden genomen want “stel” zei hij, stel dat ze in Brugge moesten overstappen en niet direct plaats hadden, dan konden ze in het slechtste geval tot Leuven rechtstaan.
Waarom dit verhaal nu veel langer vertelt over dat rijdend kiekekot dan over een strand vol peis en vree is toch logisch te verklaren. Want wat vertel je méér over een strand vol peis en vree dan …
Ooh ja! We kunnen het nog hebben over het eenzijdig dialoogje dat ze op dat strand vol peis en vree hoorden tussen enkele lokale bewoners. Dat ging zo:
Wat komen die rare hier nu zo kortbij raar staan doen? Kijk, die met zijn kaske! Nog één stap verder en we vliegen op! Wij zijn toch geen zwanen?”
